Home
 

Agapornis taranta

 

De Agapornis taranta is één van de seksueel dimorfismische groep, m.a.w. er is uiterlijk verschil tussen man en pop. In het Nederlands spreekt men van Abessijnse Agapornis of bergpapegaai, in het Frans over Psittacule à masque rouge, in het Duits over Tarantapapagei of Taranta Unzertrenlicher, in het Engels is het Abyssinian Lovebird en het was Stanley die hem zijn Latijnse naam gaf Agapornis taranta.

De Agapornis taranta werd in 1814 ontdekt in N.O. Afrika. De taranta komt uit Midden- en Oost-Ethiopië en uit het zuiden van Eritrea. Het zijn bergvogels die op een hoogte van 1300 tot 2000 meter leven. Sir Henry Stanley noemde deze soort naar de Taranta bergpas in Ethiopië. Door het feit dat ze op geruime hoogte leven zijn ze gewend aan koude temperaturen ‘s nachts. Er worden geen Taranta’s meer ingevoerd, maar dat is ook niet nodig aangezien deze vogels toch vrij veel te vinden zijn.

De Agapornis taranta is met zijn 16,5 cm de grootste van de agapornissen groep. De man heeft een typische rode tekening op het voorhoofd tot aan de bovenschedel en een rood bandje om de ogen. De grote slagpennen zijn zwart en de vleugelranden vanaf de vleugelbocht zijn blauwzwart. De ondervleugeldekveren zijn zwart, iets wat we bij de drie soorten van de seksueel dimorfismische groep terug vinden. De staart draagt aan de eindrand een zwarte band. De snavel is rood, de iris is bruin en de tenen en poten zijn donkergrijs. Voor de rest is zijn lichaam groen.

De pop mist het rood op het voorhoofd, de blauwzwarte vleugelrand ontbreekt en de ondervleugeldekveren zijn groen. Voor het overige is ze geheel gelijk aan de man.

In het wild leeft de taranta in kleine groepen bij elkaar en 's nachts rusten deze vogels in boomholten. In de paartijd maakt de pop in een boomholte een ondiepe komvormige onderlaag van twijgen, takjes en bladeren. Het nestmateriaal wordt door de pop tussen de lichaamsbevedering aangesleept. Deze transport methode is voor de seksueel dimorfismische groep en ook voor de roseicollis dezelfde. Uniek voor de taranta is wel dat de pop vlak voor het leggen een deel van haar borst- en buikbevedering verliest (of plukt ??) en daarmee de nestkom bekleedt. Deze werkwijze zien we bij geen enkele andere Agapornis terug. Daarna legt de pop om de andere dag 3 tot 6 witte eieren. Na +/- 25 dagen broeden kippen de eerste eieren. De jongen hebben witte nestdons die naarmate ze ouder worden grijs en daarna groen worden. Na ongeveer 50 dagen verlaten de jongen het nest. De jongen lijken op de pop en hebben een vuilgele snavel met op de bovenkant een zwarte vlek. Aan de ondervleugeldekveren kan men al opmaken of we met een man of een pop te maken hebben, de ondervleugeldekveren van de jonge mannen zijn zwart en die van de poppen zijn eerder groenachtig. Sommige jonge mannen hebben in het nest soms al enkele rode vlekjes op het hoofd, maar dat is niet altijd het geval. Na ongeveer 9 maanden zijn de vogels op kleur.

Taranta's zijn pas in hun tweede levensjaar geslachtsrijp. In het wild voeden ze zich hoofdzakelijk met graszaden, bessen en vruchten. Ze zijn ook gek op rijpe vijgen.

Ze kweken wel in gevangenschap maar niet zo goed als de personatus of roseicollis. Toch lukt het bij sommige kweekkoppeltjes altijd en bij andere weer niet. Men kan ze best paarsgewijs huisvesten in volières of in ruime kweekkooien. Als nestmateriaal kan men wilgentakken of palmtakjes geven, maar de ervaring heeft geleerd dat niet elke taranta daar gebruik van maakt. Sommigen zijn reeds tevreden met wat houtsnippers, anderen gebruiken zelfs niets. Als ze tot broeden overgaan is het grootste probleem echter dat de jongen nogal gemakkelijk sterven tijdens hun eerste levensdagen. Een pasklaar oplossing kan daar niet voor gegeven worden. Mits een vorstvrij nachthok kan men taranta het gehele jaar buiten houden, maar ze moeten dan wel over een kweekblok kunnen beschikken omdat ze daar bij voorkeur in slapen.



© Dirk Van den Abeele.
Beschikbaar voor spreekbeurten en dia-reportages over Agaporniden